OUDE BONNETJES

Had ik niet al eens geschreven dat mijn ouders ook graag van alles bewaren? Ik zal geen beschrijving geven van mijn vaders werkkamer, want woorden zouden te kort schieten. Toch moet er af en toe opgeruimd worden, vinden ook mijn ouders. Niet lang geleden heb ik met mijn moeder een deel van de zolder opgeruimd. Daarbij zijn na lang wikken en wegen zelfs verschillende dingen weggegooid! De beschermhoesjes tegen de regen die je om je benen kon doen, en die mijn moeder vóór de oorlog droeg als ze naar de HBS fietste, waarvan de leren riempjes weerbarstig geworden waren, de gespjes verroest, de ooit waterdichte stof halfverteerd, ja, die vreemde nauwelijks herkenbare voorwerpen uit een ver verleden zijn de vuilniszak ingegaan. Met moeite, dat geef ik toe.

Mijn vader heeft onlangs zijn ordners met financiële zaken opgeruimd. (ik schreef deze tekst in 2002, mijn vader is in 2009 overleden). Moet je zulke dingen niet tien jaar bewaren? Er zaten bonnetjes bij uit 1949. Laatst vroeg ik aan een officiële archivaris -het ging om het papieren archief van het filmproductiebedrijf Studio Nieuwe Gronden- of het niet leuk was om ook de bonnetjes te bewaren. Maar nee. Dat was niet leuk. Die konden weg. Dat bevestigt me in de gedachte dat je zoiets dus vooral niet weg moet gooien. Als iedereen vindt dat je iets weg moet gooien, dan moet er toch nog iemand zijn die het bewaart?

De bonnetjes van mijn vader tonen een wereld van lang geleden. Natuurlijk, trivialia. Maar juist die brengen soms geschiedenis dichter bij dan de grote gebeurtenissen. Ieder bonnetje is een verhaal.

 

 

Dit is de achterkant van de elektriciteitsnota uit mei en juni 1954. De voorkant ziet er zo uit:

 

 

We woonden toen in Anna Jacobapolder. Gas was daar niet. Iedereen kookte elektrisch. We hadden een prachtig fornuis, met oven. Een kostbaar bezit. Met de watersnoodramp had mijn vader het nog naar de bovenverdieping gesjouwd. Hoe hij dat voor mekaar gekregen heeft, is onbegrijpelijk. Het is loodzwaar. Ik weet dat goed omdat het in mijn datsja staat, en ik het nog bijna wekelijks gebruik. Een huishoudelijk apparaat dat na 50 jaar nog werkt, hoe is het mogelijk.

 

Uit dezelfde tijd stamt het bonnetje van Roelse:

 

Ja, zo zagen bonnetjes er in die tijd uit. Met de hand geschreven. Met de hand opgeteld. "Presto" zie ik staan. Dat was ons afwasmiddel. In een glazen fles zat dat. Soms zaten er knikkers bij, of plastic kralen. En zat dat plastic helicoptertje in onderdelen die je in elkaar moest zetten ook niet bij de Presto? Wat keken we uit naar nieuwe plastic stukjes.

Onze bakelieten radio is in die tijd ook een keer gerepareerd. Een echte Philips, met al die raadselachtige vreemde namen van verre zendstations. Ja, Beromünster was daar ook bij. Later heb ik die radio nog weleens uit mekaar gehaald en nooit meer goed gekregen.

 

De nota van het ziekenhuis te Middelburg waar ik -"uw dochtertje Dingena"- geopereerd ben van een liesbreuk is ook bewaard. Ik was zes jaar en vond het bijzonder vernederend dat ik op een zaal met allemaal kleinere kinderen lag. Bovendien huilden die voortdurend, dat was ook geen pretje. De enige troost was het uitzicht op de Middelburgse watertoren en de mooie kaleidoscoop die ik kreeg om me mee te vermaken op de eindeloos lange dagen. Toen ik uit het ziekenhuis kwam kreeg ik een nog veel mooier kado: de grote doos van Mobaco. Met Mobaco kon je gebouwen maken, met balkons, torens en daken. Wat was dat geweldig!

Nee, ik kan moeilijk zo al die bonnen van kommentaar gaan voorzien. Dat zou een vorm van gekte zijn. Ik neem toch aan dat ieder mens bij veel bonnetjes uit zijn verleden een verhaal kan vertellen.

Nou, nog één dan. Een echte ponskaart uit 1961. De lidmaatschapskaart van mijn moeder van de V.P.R.O. met puntjes. Aan de achterzijde voorzien van de handtekening van dominee Spelberg. We waren toen al naar Utrecht verhuisd. Maar de oude bonnetjes waren allemaal meeverhuisd.

 

terug naar WAT

terug naar begin